Blog

We zaten op een vakgroepvergadering. “Uitbreiding endocrinologie” was het agendapunt. Vele jaren was ik de enige endocrinoloog binnen de vakgroep interne geneeskunde van ons ziekenhuis. Intussen was op elk ander deelgebied van het vak de bezetting tot tenminste 2 uitgebreid. Mijn collega’s vonden dat er een endocrinoloog bij moest. Los van de groeiende werkbelasting vonden zij ook dat het goed zou zijn dat er een sparringpartner voor mij bijkwam. Ik voelde een ambivalentie. Natuurlijk was het fijn dat zij zich bekommerden om mijn werkdruk, maar het voelde ook een beetje als een kleine vertrouwensbreuk: was ik niet goed genoeg? Ik dacht dat ik met mijn contacten binnen het landelijk netwerk van endocrinologen en het academisch ziekenhuis om de hoek genoeg interactie had. 

Nu moest ik opnieuw gaan nadenken over de inrichting van mijn vakgebied. We maakten een visieplan voor de verdere ontwikkeling van de endocrinologie. Maar nog belangrijker voor mij was: hoe gaan we de samenwerking vormgeven? Het dwong me na te denken over mijn eigen rol. Wat vind ik goede patiëntenzorg? Wat vind ik belangrijk in de samenwerking? Wat zijn eigenlijk mijn kernkwaliteiten, wat mijn valkuilen? En waarin zou ik wel aanvulling kunnen gebruiken? Wat geef ik eigenlijk en wat kan ik loslaten? En hoe ontvankelijk ben ik voor nieuwe input? Allemaal vragen die mij eens flink tot zelfreflectie dwongen. 

Maar toen zij er eenmaal was, mijn nieuwe collega, begreep ik dat er nog een dimensie was, die ik misschien een beetje over het hoofd had gezien: hoe verhouden wij ons als persoon tot elkaar? Wat gebeurt er op “betrekkingsniveau”? De “klik” die je met iemand hebt, heeft veel te maken met “automatische reactiepatronen”. Met de “samen-tegendimensie” en met de “boven-onderdimensie”. Hoe verhouden wij ons tot elkaar? 

In de dagelijkse praktijk verdelen wij de supervisie over de afdeling: de eerste helft van de week ik, de tweede helft zij. Op woensdag doen we samen met de AIOSsen “grote visite”, tevens een gelegenheid de patiëntzorg aan elkaar over te dragen. Deze “knip in de week” voelt niet als een knip in de continuïteit van de zorg of in de sfeer, horen wij terug van AIOSsen, verpleging en patiënten. En ook wij voelen ons er goed bij. Gelukkig is ons gedrag hierin convergent. Automatische reactiepatronen: een belangrijke factor om naar te kijken bij het aannemen van een nieuwe collega, denk ik. Wat vindt u? Het komt aan bod in onze cursus “Mijn collega en ik”. 

Aart Mudde